Poplavskij

DE GROENE ONTZETTING

Sneeuw van groene bladeren is op de stad gevallen
en de storm van de zomer kruipt als een vlam.
Kijk, dromend hebben wij de ondergang gezien,
gisteren pas, en daar staat hij boven ons.

Op het voor altijd harde ijs van het asfalt
ligt de dag uitdrukkingsloos gelukkig,
en langzaam als lange jaren
gaan de dagen, de soldaten van de blauwe macht voorbij.
Vandaag is een hete lente aangebroken,
met een ondragelijke pijn in mijn hart,
en ik lag vol met het water van mijn droom,
als een koud lijk, gewalst, ziek.
Kijk, de bloedsomloop straalt
door blauwe aderen tussen de wolken,
en ik ga op in het hoge contact
met het hemelse leven dat licht is als rook.

Maar de wereld heeft koorts, de polsslag der ogenblikken is versneld,
en alle klokken haasten zich ziekelijk.
Zoëven zaten wij in een tram zonder richting,
en daar is het einde al, slagboom, hel.
De verleiding van de aprilflora bruist
en het schuim slaat uit de hals der lopen.
De hele wereld ligt open in het ongeduld der lente
als de vuurrode lippen der naakte bloemen
En doof roert zich elke steen
op de rijweg, als de hoofden der menigte,
en elk blad is half open als een oor
om het laatste stof van onze woorden weg te nemen.
De dag wordt donker, de lente kookt in de zonsondergang
en de tuin geeuwt met zieke muziek.
Zo wijst een vrouw op een roze affiche
lachend met haar hand de hel aan.
De nacht komt op, de groene ontzetting van het geluk
is in alle gegoten, en het maangift kookt.
En reeds aan de muziek onderworpen
vragen wij een smerige fontein om een dronk.

Uit: ‘In een krans van was’, 1938.