Huiden

Gluren door de openstaande deur
van dat donkere, haveloze gebouw aan de Vale Hen

Vlijmende, ontvellende, schrapende messen
Geslof van vilders in hun rubberlaarzen

Aan vleeshaken hangende huiden, kaarsrecht in het gelid – de dood
immers disciplineert, maakt geen uitzonderingen –
uitdruppelend boven rood uitgeslagen, betonnen geulen

alvorens te worden gesneden, gestanst, gestikt
voor decoratiebont, meubelleer

De lucht met een nog dierlijke warmte

Te vermarkten bloed, hun dood en mijn leven
in een verband waar geen stem voor is

Overactieve kadavers, na al die jaren, alsof ze alleen
nog kunnen voortbestaan in mijn angst voor lichamelijkheid

die kans ten volle hebben gegrepen