Droomliederen (I-VII)

I

Stilte zou haar oude zelf niet meer zijn
Maar in stukken van geluk breken
Bijvoorbeeld als ik korstjes gooide
Naar de wintervogels
Denkend aan jou

Als je echt de mijne was
Verwachtte ik opeens veel
Van gloed

Zomers
Zouden meer willen worden dan ze zijn

II

Als je echt de mijne was
Maakten onze blikken
Eindelijk hun ruimtereis

We lieten sferen zwellen
Alsof ze vruchten hadden

Je lach
Voerde me 
De nacht in

Je dromen
Kwamen bloot te liggen

Ik bedekte ze met mijn leven
Tot aan de ochtend

En al het zonlicht werd goud
Op het eerste gezicht

III

Verwachtingen verzonnen de nacht
Aanrakingen openden het donker

Als je echt de mijne was

Opwinding bewoog
Haar gouden duizendpoten

Je tong reikte
Domeinen aan

Verlangens tekenden kaarten
Van schittering

Je zou vuur
Redden van mijn eiland

IV

Je glimlach
Toverde een onzichtbare sleutel tevoorschijn
Die me open deed

Misschien zag je
De wakkerheid in mijn lusten
Angst die zich een wurgkraag van stilte snoert
Dromen, verloren in poortgewelven
Drakenvlerken van bitterheid
Driften die weigeren bij hun schatten te gaan slapen
Schaduwen, hun krijgsbanieren
Kruisend

V

Als je echt de mijne was
Wachtte je op me, als een wolk
Die niet meer wil zweven

Bomen ruisten
Naar ons terug

Je vroeg me niets meer

Je kwam van waar de nacht vertelt
En alle dieren omarmt
En alle instincten bestemt

VI

Levenswarmte rekte zich uit
In je lach

De avond zou ons bloed voelen
Zonder het te drinken

Als een nachtwacht
Stond het smachten op

Je zou sterren op je nemen
Zonder het te weten

Maar ik zag ze

Je koude schaduwen zouden naar huis gaan
En jij bleef achter in mijn armen

Als je echt de mijne was

VII

Als je echt de mijne was
Raakte je naaktheid
Nooit op

We schilderden ogen op de wolken
Die we voor ons lieten kijken

Terwijl wij

Blind verdwaalden
In elkaar