De hoeven van het Belgische werkpaard klepperden en kloften
De veren van de altijd naar rottend fruit stinkende kar kraakten
Een van de aslijnen leek licht te hellen
ten opzichte van de rijrichting
Moeizaam rondde het voertuig de bocht
Hij neuriede zijn wandelliedje, spuugde fluimen weg
blies zijn neus leeg wanneer het hem uitkwam
Tussen de zware riemen en de ijzeren disselboom
hing zijn zweep in een luie, slaperige oogvorm
Ik vermoedde dat hij het beest er regelmatig mee sloeg
Tot op die ene dag
Een wiel kwam van de grond en vloog tollend weg
door een haag van riet en brandnetels heen
in de sloot
Ik verwachtte een scheldpartij, zijn gebruikelijke gevloek met een g en een v
maar hij kwam van de bok af en liep meteen naar de schimmel
schikte de leidsels
aaide hem met een tederheid die ik nooit van hem had gezien
drukte zijn hoofd even tegen de flank
De bil van het dier trilde en sidderde
onder de klap die hij het daarna gaf
alsof de liefde hem net zo hinderde
als de rondzoemende bromvliegen het paard

