Meisje op carrouselpaard

Muziek bonsde
Rookkolommen van vuurwerk speelden voor wolken

Op het erf stond een kapotte, half vermolmde draaimolen
dat haar vader had willen restaureren – maar geen tijd

Ze ging zitten op een steigerend paard beschilderd in geel en bruin
stak twee vingers in haar mond en floot, zomaar, of

misschien uit pure wildheid, uit verachting voor het zachte, het zoete kinderlijke, de verschoten pasteltinten om haar heen

Ze droeg een glanszijden jasje, haar rok schoof omhoog
Er stroomden extra ogen in mijn midden tezamen

Ik wist niets te zeggen toen ze daarna bij me op schoot kwam zitten
ruikend naar drank

Haar beeltenis een omtrek van dunne vervaagde lijnen
Hoe ze na al die jaren nog ronddraait- en flitst, in mijn hoofd

strooit met door de tijd verlaten gebaren

Hoe impulsen stilvielen
begeerte doofde

Je kent
sommige afwezige toestanden beter dan je aard, jezelf